Waarom blijven we arm? (Proloog)

The content originally appeared on: De Ware Tijd Online

06/11/2021 10:00

1 april 1975, toenmalig premier Henck Arron houdt een toespraak. Ook hij wist in zijn tijd een massa in vervoering te krijgen als ware hij een cultusleider.

Maureen Silos is socioloog en onder andere auteur van het boek ‘Onderontwikkeling is een keuze’ (1992). Zij werkt aan een vervolg hierop, met als werktitel: ‘Waarom blijven we arm? Cognitie, emoties en de organisatie van stagnatie in Suriname’. In deze reeks artikelen deelt zij met het publiek de verschillende invalshoeken die zij gebruikt om deze vraag te beantwoorden.

Tekst Maureen Silos
beeld Nationaal Archief

HEEL LANG GELEDEN, aan het eind van de jaren zeventig van de
vorige eeuw, was ik met vakantie in Suriname. Ik studeerde in die
tijd sociologie in Nederland en kwam zo vaak als ik kon terug. Het
was verkiezingstijd en ik was met mijn moeder op een massameeting
van de Nationale Partij Suriname (NPS), in mijn herinnering ergens
op Latour. Henck Arron was aan het woord en hij maakte de mensen
die kritiek hadden op zijn beleid belachelijk. Hij zei,
inSranantongo: “Ja, en dan zeggen ze dat we geen water hebben, dat
er niet genoeg stroom is, dat onderwijzers taxi moeten rijden om
meer geld te hebben voor hun huishouding!”

Het is de tijd waarin corruptie hoogtij viert, aangedreven door
de platina handdruk van Nederland na de onafhankelijkheid. Chaos
overal. In Nederland is deze chaos regelmatig op het tv-nieuws te
zien en te lezen in de kranten.

Maar Arron is nog niet klaar. Nadat hij alle klachten van zijn
tegenstanders heeft opgesomd, op een manier die suggereert dat ze
hallucineren, zegt hij, weer inSranantongo: “Wel, we hebben geen
water en ze kunnen aan me komen ruiken”, terwijl hij een arm boven
zijn hoofd brengt en met de andere arm een hand onder zijn oksel
houdt en deze regelmatig op en neer beweegt. Het publiek gaat uit
zijn dak.

Ik heb geen woorden om mijn verbijstering over wat ik zag en
hoorde te beschrijven. Verbijstering over wat Arron smalend
vertelde over zijn tegenstanders en verbijstering over de
hysterisch blijde reactie van het goed opgekomen publiek. Deze
ervaring was het begin van een keerpunt in mijn denken over mezelf,
over mijn landgenoten en over de Surinaamse politiek. Ik had geen
verklaring voor wat ik op die massameeting had gezien en gehoord.
Het was wel duidelijk dat Arron een soort invloed had op de mensen
die ik alleen verwachtte bij leiders van een cultus. De aanhangers
van de NPS hadden, voor zover ik weet, geen substantie aangeboden
gekregen die veranderingen in het bewustzijn veroorzaakt.

De vragen die me vanaf dat moment bezighouden zijn onder andere:
‘Wat is de oorzaak van dit gedrag dat leidt tot de eigen
ondergang?’, ‘Hoe komt het dat mensen die in het dagelijks leven
geen psychiatrische diagnose verdienen maar juist in meerderheid
gewoon naar het werk gaan, hun gezin verzorgen en verder niet
negatief opvallen, op zo’n bijeenkomst hun eigen doemtoekomst
toejuichen?’, en ‘Waarom hebben mensen leiders nodig?’

Het begin van een verklaring

FEBRUARI 1980. GROOT NIEUWS in Nederland. Er is een militaire
coup aan de gang in Suriname en de regering Arron is afgezet. Ik
moest aan de Nederlandse studenten, die met mij in de studentenflat
in Rotterdam woonden, uitleggen waarom ik zo blij was. Ik vertelde
ze over de economische catastrofe na de onafhankelijkheid die
Suriname in een beerput van corruptie en mismanagement had gestort
en dat deze coup de corruptelingen had weggejaagd.

De volgende dag kwam ik Andre, een vriend en medestudent uit
Zaire, tegen op de universiteit. Ook aan hem vertelde ik het goede
nieuws over de militaire overname van de regering in Suriname. Hij
luisterde naar me en ik begreep niet waarom zijn
gezichtsuitdrukking steeds bezorgder werd. Op een bepaald moment
onderbrak hij mijn verhaal en vroeg nogal geirriteerd, met zijn
Frans accent: “Waarom ben je blij? Weet je niet wat militaire
regimes doen?” Nee, ik wist het niet. Hij vertelde toen over
militaire regimes in Afrika en in zijn eigen land en het was een
enorme koude douche op mijn gevoel van opluchting en blijdschap dat
de ‘dievenbende van Arron’ was weggejaagd.

Ik ben na Andre’s opmerkingen, half verward en half verdrietig,
naar de bibliotheek gegaan en heb literatuur over militaire regimes
opgezocht. Het eerste boek dat ik las is nu een klassieker:’The man
on horseback: the role of the military in politics’, van Samuel
Finer, in 1962 voor het eerst gepubliceerd. Ik schrok me rot. De
literatuur die ik las over het fenomeen van militaire coups en
militaire regimes, drukte me met de neus op de barbaarse praktijken
van deze regimes om de macht van burgerregeringen over te nemen en
aan de macht te blijven.

Na mijn afstuderen ben ik in maart 1983 teruggekeerd naar
Suriname en kreeg een baan bij het ministerie van Onderwijs als
hoofd van de afdeling Planning. Ik kwam in de tijd dat de
Nederlandse ontwikkelingshulp was gestopt na de Decembermoorden.
Suriname moest nu geld gaan zoeken bij andere donoren en kwam
terecht bij de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB), want de
projecten moesten doorgaan. Het ministerie van Onderwijs had drie
projecten ingediend bij de IDB. Die stuurde een team van vijf
specialisten om de ambtenaren te helpen de projectvoorstellen te
herschrijven, zodat ze konden voldoen aan de eisen van de bank. Dit
was een totaal nieuwe ervaring voor de Surinaamse ambtenaren, die
tot dat moment gewend waren om een paar vellen papier te schrijven
en miljoenen guldens te ontvangen.

Zinvolle vragen, geen antwoorden

ALS HOOFD VAN PLANNING was ik lid van het team van het
ministerie van Onderwijs dat optrad als counterpart van het
IDB-team. In een van de vergaderingen op het Planbureau stelden de
IDB-deskundigen allerlei, voor mij, zinvolle vragen over het waarom
van de projecten, hoe zij voort zouden gaan nadat de
IDB-financiering was afgelopen, wat de samenhang was tussen de
projecten enzovoort. Het Surinaams team had geen antwoorden. Ze
hadden maar wat projecten ingediend omdat er geld binnen moest
komen.

Tijdens de pauze van die vergadering, nadat de IDB-deskundigen
naar buiten waren gegaan om koffie te halen, zei een van de
Surinaamse teamleden inSranantongo: “Deze mensen zijn vervelend
hoor. Ik wenste dat de Hollanders nog hier waren, met hen was het
zo gemakkelijk.”

Ik had in Nederland veel geleerd, gelezen en bediscussieerd over
de externe oorzaken van de problemen van de Derde Wereld (zo werden
ons soort landen toen nog genoemd), zoals slavernijverleden,
kolonialisme, Amerikaans imperialisme en neokolonialisme. Niets
daarvan gaf een verklaring voor de houding van deze Surinaamse
ambtenaar. Op dat moment stortte mijn intellectuele wereld in
elkaar.

Zijn woorden “ik wenste dat de Hollanders nog hier waren, met
hen was het gemakkelijk”, dwongen me om een pijnlijke waarheid
onder ogen te zien: we doen het zelf. Weg jeugdige naiviteit, ik
moest opgroeien en de interne oorzaken van de voortduring van
onderontwikkeling recht in de ogen kijken. Ik begon na deze
vergadering steeds meer uitingen te zien van gedrag dat actief
onderontwikkeling, achterlijkheid en stagnatie in stand houdt.

Om mijn geestelijke gezondheid te redden heb ik in 1992 het boek
‘Onderontwikkeling is een keuze‘ gepubliceerd. Ik ben nu
bezig met het schrijven van een vervolg hierop, met als werktitel:
‘Waarom blijven we arm? Cognitie, emoties en de organisatie van
stagnatie in Suriname’
. In de komende afleveringen zal ik de
verschillende invalshoeken die ik gebruik om deze vraag te
beantwoorden met u delen. De volgende aflevering gaat over de
relatie tussen onze collectieve psychologie, die onder andere
gekenmerkt wordt door een verfijnde vorm van slachtofferschap, en
de politieke economie van ons land.




Reageren op dit bericht? Bezoek onze Facebook-pagina